‘Het leven nemen zoals het komt’

Zomaar een doordeweekse ochtend. Mijn wekker gaat om kwart over zes, veel te vroeg nog naar mijn zin. Ik kom niet lekker op gang, deze ochtend. Verkleed me twee keer en stoot mijn versgeperste jus om. Op de autoruiten ligt een laagje ijs. Ook dat nog. Krabben in de ijskou is niet bepaald mijn favoriete begin van de dag. En door Hillegersberg rijdt  een lange rij auto’s tergend langzaam in file de Molenlaan af. Mopperend zit ik achter het stuur.

Het is nog donker als ik om half acht het Familiehuis binnenkom. De meeste gasten zijn nog in hun kamers als ik de lichten aandoe in de gezamenlijke keuken en eetkamer. Ik zet vast de koffie klaar voor als de ochtendploeg van vrijwilligers arriveert.  Als ik terugloop naar het kantoor kom ik een blonde mevrouw tegen. Al maandenlang is ze vaste gast in het Familiehuis. Haar man ligt in het ziekenhuis met uitgezaaide kanker. Mevrouw komt uit Brabant en is doorgaans een gezellige prater, maar vanochtend ziet ze er zorgelijk en moe uit. Ik zie sporen van tranen op haar wangen en haar ogen zijn rood. Ze heeft vast geen goede nachtrust gehad.  ‘Goedemorgen, hoe gaat het met u? Ik dacht dat u in het ziekenhuis bij uw man was deze week’ begroet ik haar. Mevrouw knikt. ‘Ik heb inderdaad een paar nachten bij hem op de kamer geslapen maar ben zo blij dat ik hier weer terug ben. Lief hoor, dat ik daar mocht zijn, daar niet van. Maar zo’n ziekenhuis… je slaapt niet hè. Je hoort de hele nacht vreemde geluiden. Bij elk piepje van de monitor schrik je je dood. Nee, ik ben blij dat ik weer thuis ben’ besluit ze. ‘Ik ga eerst maar effekens ontbijten.’

‘Thuis’. Het woord blijft in mijn hoofd hangen als ik weer achter mijn bureau zit en de computer inschakel. Het is altijd weer een dubbel gevoel. Enerzijds is het verdrietig dat mensen noodgedwongen bij het ziekenhuis logeren. Niemand is hier voor zijn plezier. Maar hoe mooi is het dat mensen in zo’n moeilijke tijd van hoop en vrees het Familiehuis als ‘thuis’ kunnen beschouwen.  Ik bewonder de mensen die soms weken- of maandenlang bij ons moeten wonen. Bijvoorbeeld de gasten uit de Antillen, die horen dat ze kanker hebben en dan de volgende dag al in het vliegtuig naar Nederland zitten. Hun familie, werk, alles wat hen lief is halsoverkop achterlaten. Op weg naar behandeling en hopelijk genezing. Hier komen in een koud klimaat, en elke dag weer in onzekerheid wakker worden. Het zijn mensen die ik bewonder om hun levenshouding in deze situatie. ‘Je moet het leven nemen zoals het komt. Elke dag opnieuw’ zeggen ze. En vanuit die moed kunnen ze anderen ook nog tot steun zijn.  In moeilijke tijden stijgen mensen vaak boven zichzelf uit, dat zien we regelmatig in het Familiehuis.

Als ik later weer de eetkamer binnenkom zie ik de blonde mevrouw aan tafel zitten met een andere dame. Zij komt uit Aruba en logeert al maandenlang bij ons met haar zieke zoon. Haar bruine hand ligt op de onderarm van de ander, haar glimlach is lief. Troostend. Ze praten zachtjes, een blond en een donker hoofd dichtbij elkaar. Hagelslag op tafel, naast de smoothie van vers fruit die de Arubaanse mevrouw elke morgen maakt voor haar zoon.

Ik schaam me een beetje over mijn eigen gemopper deze morgen als ik naar deze vrouwen kijk.

Twee vrouwen uit een heel andere omgeving.

Twee vrouwen met angst en zorgen om een dierbare die ziek is.

Twee vrouwen die elkaar zes maanden geleden nog niet kenden en die nu samen ontbijten. Verbonden in hun zorgen.

Zomaar een doordeweekse ochtend in het Familiehuis Daniel den Hoed.

 

Sinds 2013 werkt Petra van Rijn part-time voor het Familiehuis Daniel den Hoed. Na jarenlang bij een internationaal bedrijf te hebben gewerkt werd het volgens haar tijd om tijd en energie te steken in een maatschappelijke organisatie. 'Met veel plezier zet ik me in om het Familiehuis op de kaart te zetten bij sponsoren en donateurs. Om het Familiehuis betaalbaar te houden zijn we afhankelijk van giften en het is prachtig om te ervaren dat veel mensen zich zo betrokken tonen' aldus Petra.